INTERVIEW JAN SIMOEN

 

Jan SimoenOp 5 januari jongstleden overleed mijn zeer gewaardeerde collega-auteur Jan Simoen. Ik interviewde hem aan het begin van mijn carrière op de de Antwerpse Boekenbeurs. Het idee was om iedere maand een collega van mij te interviewen, maar dat is bij een idee gebleven. Dit interview is nog niet eerder gepubliceerd.

Ons gesprek begon over muziek, omdat het mij opviel bij het lezen van de ‘Aids-trilogie’ dat wij veel naar dezelfde muziek luisterden, zoals Lou Reed, John Cale en Tom Waits.

In hoeverre ben jijzelf één van de personages uit ‘Met mij gaat alles goed’?

Ik ben een beetje de vader, dat is Pierre. Daar zit een beetje van mij in. Maar ik ben ook een beetje Hugo van Damme, dat is de boezemvriend. Hugo bestaat ook uit een andere figuur die in die entourage zat rond mijn echte vriend die aan AIDS is overleden. Het is een beetje een mengeling. Het is heel vaak zo bij mijn personages dat ze een beetje een mengeling zijn van van alles. Er zitten stukjes van mij in en van mensen die ik ontmoet heb. Stukjes van vrienden. En soms hebben ze de fysiek van iemand die ik gewoon op straat heb zien lopen.

En bedenk je dan voordat je gaat schrijven hoe een Jonas is en hoe een Hugo is, of ontwikkeld zich dat tijdens het schrijven?

 Het ontwikkeld zich nog, maar de grote lijnen liggen al vast.

En schrijf je dat dan van te voren op, of is dat iets dat zich in je hoofd opbouwt?

 Dat varieert van boek tot boek. Bij ‘Met mij gaat alles goed.’ zat eigenlijk alles in mijn hoofd. Maar dat was mij nog nooit eerder overkomen, en later ook niet meer. (lacht). Dat was één keer, want dat boek was ook een heel speciaal boek, omdat het de eerste keer was dat ik schreef over een figuur dat ik echt gekend heb. Die Jonas is eigenlijk helemaal gemodelleerd op Ludo, een vriend van mij die aan AIDS gestorven is. En de dingen die hem overkomen zijn eigenlijk niet verzonnen.

Alles? Ook New York?

New York, Los Angeles, San Francisco, dat is allemaal echt gebeurd. Ook zijn ervaringen als au-pair in New York.

Heeft Susan (het meisje waar Jonas AIDS van krijgt) ook echt bestaan?

Nee, Susan is verzonnen. Eigenlijk, in het ware leven, was hij biseksueel.

Ik dacht het ook even toen je San Francisco noemde, want dat was in die tijd natuurlijk de bakermat van de homoseksualiteit in de Verenigde Staten.

Klopt, en het is ook die scène dat mijn vriend Ludo besmet geraakt is. Maar ik heb het personage Jonas hetero gemaakt in het boek, en ik heb daar lang over nagedacht, want op dat moment was het cliché zo van: ‘AIDS is een homoziekte, dat ik dacht, als de jongeren dat gaan lezen, dan zeggen ze: ‘Zie je nou wel, het is weer een homo.’

Het grappige was dat wat het bij mij als lezer opriep was: ik geloof het niet. Ik geloofde niet dat Jonas hetero was. Omdat voor mij alles in het personage erop wees dat hij dat niet was. Ik heb mij op een bepaald moment bedacht, dit is de schrijver die hem hetero heeft gemaakt.

Ja, dat klopt. Ik heb dat wel bewust gedaan en het is merkwaardig dat je het ziet, geeft wel aan dat je een goede lezer bent. (lacht)

Het is ook geen kritiek, het is meer dat ik het gevoel had dat het anders zat. Ik las pas later, nadat ik het boek uithad, dat Jonas was gebaseerd op een bestaande persoon.

Het tweede en het derde deel van de trilogie hebben een andere ontstaansgeschiedenis dan de eerste?

Ik had voor het eerste boek het hele gezin bedacht, met de twee stiefbroers. Die Michael is trouwens helemaal verzonnen. En de vader en de moeder ook. En het kleine zusje, Anna, ook. En het zusje dat had ik, volgens één van mijn lezers van het eerste boek, heel onheus behandeld op het einde van mijn boek en die mevrouw maakte zich heel kwaad daarover. Zo van: het is toch een schande wat u met dat kind doet …’ En ik heb dan gezegd: ik zal dat goed maken. En toen heb ik gezegd, waarom maak ik niet dat tweede boek over Anna en dan het derde boek over Michael. In het begin waren er twee boeken gepland. Een over Jonas en een over Michael. Er is er dus eigenlijk een tussen gekomen. En eerst zou het verhaal over Anna een kleine episode worden, een paar dagen in het leven van Anna, maar dat is uiteindelijk uitgegroeid tot een volwaardig tweede deel.

Ik ben iemand van Paul Biegel, en toen ik vanmorgen begon aan ‘De vierde stad’…

Oh ja! Ik had toen echt een Biegel-periode.

De sfeer die het opriep, dat er bijna meer gebeurde tussen de regels dan dat er stond. Hoewel het me wel weer opviel is dat het wisselen van de personages dat hij dat ook weer in “Hoe gaat het, met mij gaat alles goed” zit, waar ook een briefwisseling in zit.

Ja, ja… (instemmend tussendoor). Er zit een beetje van alles in, maar toen zat ik nog in een andere periode, want ik heb twee boeken geschreven toen ik bij Bakermat, dus echt kinderboeken; ‘Duizend Stenen Ogen’, en De Vierde Stad. En dat waren eigenlijk hele andere boeken, dat is meer fantasy.

Ja, iets wat ik dus normaal lees. Ken je Floortje Zwigtman, van Schijnbewegingen? Zij is ook recensist en toen ik aan haar vroeg aan wie wil jij vragen stellen, toen kwam ze meteen bij jou uit. En ik denk: Leuk, dan mag ik dus weer iets gaan lezen dat ik niet ken. Dat is het leuke van wat ik hiermee aan het doen ben, is niet alleen praten over het vak, van: Hoe doet hij het? Maar ook weer allerlei nieuwe dingen ontdekken, die ik niet zo snel zelf zou pakken.

Ik zie wel wat er gebeurt. Ik ben nu aan een nieuw boek bezig, en ik weet ook wat er zal gebeuren en welke personages er zijn en welke nieuwe personages, maar wat er precies wanneer gaat gebeuren dat weet ik niet.

Anders ben je ook de lol van het schrijven kwijt.

Ja, en ik wil mezelf nog wel af en toe verassen. Dat je eigenlijk je eigen lezer wordt. En soms valt het helemaal tegen, want dan ben je ’s avonds bezig en je vindt jezelf de geniaalste schrijver van de wereld en ’s ochtends lees je het en je denkt: Oh boy.

Hoelang doe jij over een boek?

Alles samen ongeveer een jaar, denk ik. Met research erbij en zo. Maar dat doe ik niet zoveel, ik ben een beetje lui.

Maar als je dan echt aan het researchen bent en je vindt het een na het ander, en soms vindt je een heel nieuw boek, ja dan zeg je: oh wat een mooi decor heb ik nu gevonden! En dat is geweldig. Het kan je echt heel ver leiden. En het kan het boek wat je zelf aan het schrijven bent ook heel erg veranderen. Met mijn laatste boek heb ik dat ook gehad, Michael, heb ik ook dingen zitten opzoeken over ex-Joegoslavië nota bene en toen vond ik ook nog dingen en nieuwe gegevens, en dan had ik ineens weer een idee waardoor het boek een heel andere kant op ging.

Oorlog is een belangrijk thema in de trilogie, is dat een bewuste keuze?

Tsja bewust, hoe gaat zoiets? In het eerste boek wilde ik absoluut dat verhaal van mijn overleden vriend vertellen, van Ludo die dus Jonas was in het boek. En toen had ineens een, dat klinkt misschien heel cliché, een soort van idee: kijk ik was toen bezig met ex-Joegoslavië en ik zag die twee thema’s oorlog en de wereld ook in die familie ontstaan ook.

En je nieuwe boek, kan je daar al iets over zeggen?

Nee, daar ben ik bijgelovig over geworden. Ik heb het een keer gezegd na Anna, na het tweede deel, toen ben ik gaan vertellen wat het volgende deel van het boek ging worden. Toen werd het helemaal anders, en het is helemaal mislukt. En sindsdien ben ik bijgelovig en vertel ik niets meer. Alleen aan Belle, mijn redactrice in Antwerpen waar ik nu mee samenwerk. Die heb ik iets verteld.

Ik kan je wel vertellen dat ik met drie dingen bezig ben. Een roman, ik kan je alleen vertellen dat deze zich ‘op kamers’ af zal spelen, dus op kot zeggen wij, in Leuven.

Het tweede waar ik mee bezig ben is een novelle, over een jongen die heel slecht is. Dat is voor iets jongere lezers, 14-jarigen ongeveer.

Als laatste ben ik nog aan een prepuber verhaal aan het schrijven. Een jaar of 11, 12, dat soort dingen.

Denk jij in beelden of denk jij in taal?

Ik denk in beelden ja. Ik zie dan bijvoorbeeld een auto die achteruit de oprit van een huis af rijdt, en dan achter een raam staat dan een jongen bijvoorbeeld, en hij steekt dan zijn tong uit.

Wat mij opviel aan Met mij gaat alles goed en nu in De Vierde Stad, is dat het bijna niet Vlaams geschreven is. Ik las vanmorgen het woord ‘plastieken’, dat was de eerste keer dat ik uit het verhaal werd gehaald van: oh wacht even, het is geschreven door een Vlaming. Het is dus vreselijk Nederlands in positieve zin, dat het mij niet afschrikt als Nederlander. Pas jij je aan in je taal?

Het gebeurt heel spontaan eigenlijk. Als ik mail of als ik een blog schrijf, dan schrijf ik meer Vlaams. Dan werk ik slordiger. Maar op het moment dat ik aan mijn boek begin, dan probeer ik gewoon Nederlands te schrijven. Dat komt eigenlijk vanzelf. Er is niet een redacteur die dat moet zeggen.

Volgens je biografie kwam het door het succes van Met mij gaat alles goed, dat je wat realistischer boeken bent gaan schrijven.

God, nee het was niet het succes, maar ik vond eigenlijk dat ik daar een nieuwe toon gevonden had. Ik blijf ook kinderverhalen schrijven, alleen dan voor tijdschriften. Dus die dingen ben ik wel blijven doen. Maar het hoofd accent ligt wel op adolescentenromans, die toch wat realistischer zijn, dat is waar.

Ook geen plannen op korte termijn om weer terug te gaan naar meer dat fantasy?

Nee niet direct. Het komt misschien nog wel.

Waarom is ‘Met mij gaat alles goed’ een kinderboek? Wie bedenkt dat? Je uitgeverij, of jij zelf, of …?

Mijn uitgeverij bedenkt dat. Ik schrijf gewoon het boek. Ik wist het zelf niet toen ik aan het schrijven was. Ik dacht dat het was voor 15-jarigen. De uitgeverij heeft toen de term bedacht: jong volwassenen.

Ik vind het wel mooi dat die grenzen tussen kinderboeken en boeken voor volwassenen wat vervagen.

Maar Jan, kun jij leven van het schrijven?

Nee, helemaal niet. Er zijn maar weinig schrijvers die alleen van het schrijven kunnen leven. Ik geef hiernaast ook les, Frans. Maar dat doe ik ook heel graag, want eigenlijk geef ik les aan mijn eigen doelgroep. Dat doet mij ook wel leven. Het is niet zo dat ik mij alleen een schrijver voel die les moet geven voor de kost. Ik kan niet alles kwijt in het onderwijs. Ik hou ook wel van zingen af en toe, en theater.

We hadden het net al even over de muziek. Denk jij nou op zo’n moment ook: Jonas houdt van Tom Waits, of is het: ik hou van Tom Waits, dus hij houdt ook van Tom Waits?

Het is iets ertussen in. Ik hou natuurlijk van die muziek en die loods ik een beetje in mijn boeken. Ik weet wel dat jongeren van nu naar andere dingen luisteren, maar ik ga mij ook niet in 17 bochten wringen om dat nu absoluut te gaan bestuderen en beluisteren. Ik vind bijvoorbeeld rap wel leuk, maar ik ga niet beginnen met goochelen/vogelen (?) met namen als Ice-T en namen die ik niet goed ken.

Ik zoek ook naar dingen die niet zo rap dateren.

En je had hier natuurlijk ook het voordeel dat het zich afspeelt eind jaren ’80 begin jaren ’90. Dus dan juist roepen dat Star Wars uitkwam, dat Batman het grootste budget had vond ik geweldig, want dat heb ik allemaal meegemaakt in die tijd. Toen groeide ik op als twintiger.

Het viel me sowieso al op, je strooit kwistig met wat Amerikanen zo mooi noemen ‘pop-culture references’,  net zoals Kuifje in De vierde stad. Je weet wel wat er in de wereld gebeurt.

Dat moet ook wel, daarom is die job ook goed als leraar. Je moet ook bijbleven in wat die jonge gasten goed vinden en luisteren. Ik ga het niet forceren en ik ga me niet gedragen als een zeventienjarige. Maar je moet wel weten wat er speelt. Ik kijk bijvoorbeeld ook even een keer naar nieuwe t.v. programma’s zoals Temptation Island. Ik vind het ook geen straf hoor, sommige van die dingen pik je ook weer op, bijvoorbeeld Nirvana in de jaren ’90.

Soms is het wel erg, want bijvoorbeeld mijn zoon vond het heel erg dat ik zijn muziek ook leuk vind.

Onderwerp van alle drie de boeken is vrij heftig. En de keuze die jij gemaakt hebt met de brieven en de e-mails. Dat betekent dat je er nooit bij bent als er iets ergs gebeurt, maar dat er altijd achteraf beschreven wordt of vooraf aangekondigd wordt. Is dat daarom?

Ja dat is daarom. Het heeft ook te maken met mijn onzekerheid toen. Met mij gaat alles goed, heb ik 10 jaar geleden geschreven en toen was ik eigenlijk niet zeker genoeg om van binnenuit de strijd om te overleven en te sterven van een Aidspatiënt te beschrijven. Daarvoor moet je echt al heel sterk in je schoenen staan als schrijver en dat durfde ik eigenlijk niet. Maar toch wilde ik een boek schrijven dat dicht bij de lezer stond en dat de lezer heel erg bij zijn vel zou pakken. (nekvel). Daarom had ik het idee om een briefroman te schrijven. Dan had ik elke keer een ik-persoon die naar iemand anders schrijft, dus dat is heel direct natuurlijk. Je kan natuurlijk ook wat dingen overslaan, want die dingen overlappen elkaar. Je hebt verschillende standpunten, en wat je ook hebt als lezer is twee dingen: dat je meer weet dan de andere personages, dus dat creëert spanning, en dat je een klein beetje voyeur bent, omdat je over de schouder meeleest met degene voor wie de brief bestemd is.

En toch worden mensen meegesleept door de emoties. De emoties mogen nooit vers zijn als je erover schrijft, dat lukt niet. Over je eerste liefde kun je geen goed boek schrijven bijvoorbeeld. Je moet even wachten tot je in een ander stadium bent, en dan kun je wel schrijven: je hebt een afstand, maar de emotie komt toch boven. Ik raak nu nog soms onder de indruk.

Ik kan alleen maar blij zijn met lezers die door de emoties van mijn personages worden meegesleept, want je hebt daar geen vat op. Je kan wel iets, nadat je er zoveel jaar mee bezig bent, maar uiteindelijk kan je het niet controleren.

Dan mag jij nu zeggen aan wie jij iets zou willen vragen.

Ja dat is moeilijk, ik heb er heel lang over nagedacht. Er zijn er drie aan wie ik iets wil vragen. Ik heb Joke van Leeuwen (denk ik?), en daar zou ik aan willen vragen hoe ze dat doet met dat driedubbele talent van haar, die kan eigenlijk poëzie schrijven voor volwassenen, die kan schrijven voor kinderen, die kan proza schrijven voor kinderen. Is het talent dat beslist, of is zij het zelf? Is het: “Ga ik nu poëzie schrijven of voor kinderen?” of is het talent van de dag dat beslist.

Dan heb ik nog een vraag aan Martha Heesen. Die had ik willen vragen wanneer ze nu eens iets voor volwassenen gaat schrijven.

Dan had ik er nog een voor Edward van Vendel (die wil jij heel graag spreken), maar ik weet nog niet wat ik hem wil vragen. Ik wil gewoon van hem weten, hoe hij het nou doet. Ik ben zo jaloers op die man, hij is zo productief. Hij doet zoveel verschillende dingen. Het is een beetje een idiote vraag, maar hoe hij dat doet.

Interview: Marcel van Driel. Transcript: Sonja Winter

P.S. Het was een bijzonder gesprek en een eer dat een schrijver als Jan Simoen de tijd nam om met een schrijver te praten die net kwam kijken. Ik heb enorm veel geleerd van Jan en van zijn boeken. Er is een groot schrijver heengegaan.

 

Laat wat van je horen

*