Voorlezen voor vluchtelingen

Foto: De Blauwkai

Met de schakelklas op de foto (bron: De Blauwkai)

Ik kreeg een oproep van illustrator Marit Törnqvist (die eerst in Zweden en later in Nederland AZC’s bezocht om via haar tekeningen contact te maken met vluchtelingen). Ze schreef: ‘Stel dat een heleboel Nederlandse kinderboekenmakers AZC’s zouden bezoeken en met groepjes kinderen en hun ouders kennis zouden maken, gewoon met potlood, papier en boeken? Wij weten dat een kindertijd bepalend kan zijn voor de rest van je leven. En wij weten ook wat de kindertijd van deze vluchtelingen tot nu toe is geweest. Als wij nu met velen workshops kunnen geven met het doel een bruggetje te bouwen tussen hen en ons?’

Ik twijfelde. Kon ik dat wel? Alles draait bij mij om taal, zodra ik in een land kom waar ik de taal niet spreek, laat ik mijn vrouw het woord doen. Wat had ik bij te dragen aan deze zwaar getraumatiseerde kinderen?

Durfde ik dat wel?

Ik gooide de mail weg.

Tijdens de Kinderboekenweek bezocht ik een school in Ridderkerk voor vier groepen 5 t/m 8. In mijn contract stond het volgende zinnetje: ‘In deze groepen zitten ook vluchtelingenkinderen.’ Dat bleek iets anders te liggen. Want na drie groepen kwam ik terecht in ‘de schakelklas,’ een groep leerlingen van acht tot dertien jaar die allemaal de Nederlandse taal aan het leren waren. De meeste kwamen uit Syrië, geen van hen was hier langer dan negen maanden.

rapp-en-rob-oma-gevangenDe juf nam me even apart. ‘Eigenlijk was ik erop tegen dat u kwam,’ vertrouwde ze me toe. ‘Deze kinderen hebben veel meegemaakt en maar een beperkte kennis van de Nederlandse taal. Ik heb ze zoveel mogelijk voorbereid op uw komst, vertelt wat personages zijn en ze voorgelezen uit ‘Rapp en Rob: Oma Gevangen’ en uitgelegd over wat een tekenstraler is. Ik hoop dat het allemaal gaat lukken.’ Van haar gezicht was af te lezen dat ze er weinig vertrouwen in had.

Slik.

Ik stapte de klas in en werd juichend ontvangen door vijf jongens en zeven meisjes. Ik stelde me voor, en begon te vertellen. Langzamer dan normaal en met eenvoudiger taalgebruik, maar zonder mijn verhaal zelf te versimpelen. Af en toe vroeg ik of ze woord kenden. ‘JAAA!!!’ gilden ze, als het bekend was. ‘NEEE!!’ riepen ze net zo hard en met net zoveel enthousiasme als ze het niet wisten. Samen met de leerkracht zochten we net zolang synoniemen totdat we een woord vonden dat ze wel kenden of een uitleg waardoor ze de betekenis zelf konden vinden. Achter mij schreef de juf moeilijke woorden op, koppelde ze aan elkaar met tekeningetjes en pijltjes, of legde het verband uit tussen het werkwoord (schrijven) en het zelfstandig naamwoord (schrijver). Iedere keer als een kind iets raadde, uitvond of begreep, kregen ze een boks van mij á la Baymax (lalalala) en het werd een sport om zoveel mogelijk boksen te ontvangen en uit te delen.

Ondertussen ontstonden er een-tweetjes tussen mij en de juf. We beelden ‘op het nippertje’ uit door net niet tegen elkaar aan te botsen, voelden elkaar aan en zij sprong in wanneer ik niet door had dat wat ik vertelde te moeilijk was. Het was alsof ik weer aan theatersport deed, waarbij het publiek net zo actief meedeed als wij op het ‘podium’.

Schrijversbezoeken zijn altijd een feestje. Kinderen krijgen zelden de makers van al die mooie kinderboeken te zien en ze willen alles weten over hoe je boeken bedenkt, schrijft, tekent of maakt. Maar zo enthousiast als deze groep had ik ze nog nooit meegemaakt in mijn bijna 15-jarige carrière als auteur. Als ze iets niet wisten of kenden, dan betekende dat ze dat konden leren! Nu, met ons, met elkaar! Want wat misschien nog wel zichtbaarder was dan het enthousiasme en de leergierigheid, was de saamhorigheid. Het Poolse meisje dat nét wat meer woorden kende, dat het Syrische meisje uitlegde wat ik bedoelde, die op haar beurt het Arabische woord gaf aan het jongetje dat hier het kortst was.

En terwijl ik mijn verhaal vertelde en de groep over elkaar heen buitelde om uit te leggen wat zij zouden tekenen als een tekenstraler echt zou bestaan, realiseerde ik mij steeds weer opnieuw waarom ze hier waren.

Syrische kinderen tekenen de oorlog (bron: Vice)

Syrische kinderen tekenen de oorlog (bron: Vice)

Een jaar geleden hadden deze kinderen nog een huis, een land, familieleden. Vermoedelijk hadden ze nog nooit van Nederland gehoord. En nu waren ze hier. Levend, gretig om elk nieuw Nederlands woord op te nemen. Want taal betekent toegang. Toegang tot educatie, tot boeken, tot een andere cultuur, tot elkaar.

Maar wat waren ze kwijtgeraakt? De juf vertelde mij later dat sommige kinderen verstijfden als je ineens achter ze stond, of als je hun pols beetpakte om ze te leren hoe ze hun potlood steviger past konden houden. Onder alle vrolijkheid, onder het gelach zat een diep verdriet.

Ik nam afscheid van de kinderen, mocht met ze op de foto. Ze zwaaiden me uit, terwijl ze naar de gym gingen, gaven me een hand of een boks. Hun verdriet namen ze met zich mee, net als hun nieuwe woorden.

‘Het ging goed!’ fluisterde de juf.

Ik schoot vol.

Thuis duikelde ik de mail op van Marit Törnqvist en mailde dat ik vanaf volgend jaar uiteraard beschikbaar om voor te komen lezen op AZC’s.

Wil je ook bijdragen aan dit project, maar ben je geen auteur of illustrator? Doneer dan een (klein) bedrag aan dit project. Deze kunnen overgemaakt worden op IBAN: NL20INGB0004334202 (BIC: INGBNL2A) t.n.v. Stichting IBBY sectie Nederland te Amsterdam. Vergeet er dan niet bij te vermelden: gift project vluchtelingkinderen.

Hartelijk dank