Wat we kunnen leren van ‘Whiplash’ of: hoe ver wil je gaan voor je kunst?

WhiplashIk heb een hekel aan bullies, mensen die je met fysiek dan wel geestelijk geweld proberen te kleineren. Ik heb beide vormen van pesten te vaak meegemaakt. Op de basis- en middelbare school kreeg ik veel naar mijn hoofd geslingerd, maar het was met name het fysieke geweld waardoor ik niet meer naar school durfde en mij verstopte in boeken.

Tijdens mijn werkzame leven in loondienst kwam ik in aanraking met verbale mishandeling. Managers die sarcastische opmerkingen maakten als medewerkers (of ik) een handeling niet in één keer snapten, die hun positie probeerden te bewaken door anderen onderuit te halen, of hun personeel dacht te motiveren door ze uit te schelden.

Over die laatste aanpak gaat de film Whiplash. Drummer Andrew Nieman (Miles Teller) wil dolgraag in de jazzband spelen van dirigent Fletcher (J.K. Simmons die een Oscar won voor zijn rol) maar de leraar blijkt een tiran die zijn jongens tot de bodem toe afbrandt om te zien wie er overblijft.

KatmanHoewel ik mijn pestverleden met succes achter mij heb gelaten (onder andere door er een boek over te schrijven: ‘Help, Katman! Help!’ genaamd), blijf ik het lastig vinden om naar dit soort scènes te kijken. Ik had echt de neiging om naar het scherm te schreeuwen: ‘Ga weg! Doe iets anders met je leven, laat het niet verknallen!’ Maar tegelijkertijd bekroop mij een ander gevoel. Hoe goed zou ik zijn als iemand mijn boeken op dat niveau zou bekritiseren? Zou ik een betere schrijver worden of zou ik de handdoek in de ring gooien?

Op het meest cruciale moment van de film, zegt Fletcher tegen Andrew: ‘There are no two words in the English language more harmful than “good job”.’ Wat hij hiermee wil zeggen, is dat je niet beter wordt van complimenten. Iemand die wil excelleren, móet tegen harde kritiek kunnen. Sterker nog: zonder kritiek kun je niet beter worden. Hij zegt daarover: ‘I was there to push people beyond what’s expected of them. I believe that’s an absolute necessity.’

En ik moest denken aan de Paul Harland prijs. De PHP is een prijs voor het beste fantastische korte verhaal. Afgelopen jaar deden er 202 verhalen mee. Dat betekent dat er 201 verhalen niet de beste waren. Die verhalen kregen commentaar van de jury, soms kort, soms lang. Soms positief en vaak negatief. En vooral op dat laatste was kritiek. Sommige schrijvers vonden het commentaar te bot. Anderen schreven dat kritiek opbouwend moest zijn en nooit aanvallend, anders konden ze er niets mee.

En ik dacht: die komen er niet. Nooit.

Paul-Harland-Prijs-2014-trofeeEr is een tijd en een plaats voor opbouwende kritiek. Maar is soms ook absolute noodzaak voor harde kritiek. Voor duidelijk maken dat je er op deze manier niet komt. Voor pijnlijke keuzes maken. Kijk maar naar de sport. Lieve coaches maken geen kampioenen.

Maar dat is wat anders dan pesten. En dat is wat Fletcher doet. Fletcher is geen coach, hij is een bully, een klootzak van het zuiverste water. Hoe goed zijn bedoelingen ook mogen zijn, zijn methode deugt niet en beschadigt mensen.

Maar zoals Martijn Aslander altijd zegt: ik heb misschien geen gelijk, maar ik heb wel een punt. Fletcher heeft wat mij betreft geen gelijk, maar als hij zegt dat zachte heelmeesters stinkende wonden maken, heeft hij wel een punt.

Ik kwam behoorlijk onder de indruk uit de bioscoop en twitterde: ‘Whiplash. Intense film! Tweede vijfsterrenfilm van dit jaar.Ik kreeg meteen een reactie van Mieke van Stigt, schrijfster van het boek ‘Alles over pesten’. Ze tweette: ‘De zoveelste rechtvaardigingstheorie voor #pesten: je krijgt er goede drummers van? Lees ook Kuitenbrouwer NRC 19/2’.

Brody-Whiplash-1200

Haar reactie verbaasde me. Want de boodschap van de film is absoluut niet gelijk aan die van het personage Fletcher. Waar Fletcher met liefde 99% van zijn studenten afbrandt om dat ene talent op grote hoogte te krijgen, laat de film zien wat voor effect dit heeft op hem en zijn band. Iemand pleegt zelfmoord, de hoofdpersoon laat alles en iedereen in de steek en verandert langzaam in een kloon van Fletcher. En Fletcher zelf raakt alles kwijt waar hij voor vecht.

Fletcher is ook absoluut de antagonist van de film, de tegenstander, de slechterik. Hij is niet de ‘inspirerende leraar’ uit Dead Poets Society, hij is Sergeant Hartman in Full Metal Jacket.

Ik zocht het stuk op Kuitenbrouwer. Hij noemde ‘Whiplash’ een k*tfilm, historisch onjuist en gebaseerd op Dr. Phil-psychologie, waarbij het sociopathische gedrag van Fletcher de genialiteit van Nieman moet laten ontluiken, die vervolgens ‘manisch gaat zitten trainen, als een soort Rocky met drumsticks, tot het bloed uit zijn handen spat,’ aldus Kuitenbrouwer.

De fout die Kuitenbrouwer maakt, is dat hij de beweegredenen van de antagonist verwart met die van de filmmaker. Alsof schrijver/regisseur Damien Chazelle ons wil vertellen dat bullying dé manier is om talent boven te laten komen drijven. En dat gaat er bij mij niet in. Niet na het zien van de film. Want zonder het einde van ‘Whiplash’ te willen verklappen, is het op z’n minst ambivalent te noemen.

Chazelle

In een interview bevestigde Chazelle mijn vermoedens. De film is deels op zijn eigen ervaringen als muzikant gebaseerd en op de vraag of muziek spelen leuk moet zijn of dat je koste wat kost de beste moet willen worden. Chazelle antwoordt daarop: ‘I guess it’s still something I’m not sure about. If you’re going to play music or do any art form, just as a hobby or as purely a source of enjoyment, then yeah, you should enjoy it. But I do believe in pushing yourself. If you actually take the idea of practice seriously—to me, practice should not be about enjoyment. Some people think of practice as “You do what you’re good at, and that’s naturally fun.” True practice is actually about just doing what you’re bad at, and working on it, and that’s not fun. Practice is about beating your head against the wall. So if you’re actually serious about getting better at something, there’s always going to be an aspect of it that’s not fun, or not enjoyable. If every single thing is enjoyable, then you’re not pushing yourself hard enough, is probably how I feel. But this movie takes it to a extreme that I do not condone. [Laughs.]’

‘Als ieder aspect leuk is, dan maak je het jezelf niet moeilijk genoeg.’ En daar kan ik me helemaal in vinden!

Gisteren vroeg iemand mij op twitter: ‘Marcel, hoe lukt het jou als schrijftijger, om elke dag weer zo productief te zijn?’ Ik antwoordde iets over ‘iedere tijd inplannen en deadlines’ maar het gaat natuurlijk over iets heel anders. Ik MOET dat boek schrijven. Ik wil absoluut beter worden, mijzelf overstijgen, de uiterste grenzen van mijn kunnen opzoeken. Niet schrijven is geen optie, net zoals niet oefenen geen optie is voor Andrew Nieman.

De vraag is: hoe ver wil jij gaan voor je kunst?

MONSTERS (IN JE HOOFD) ZIJN ECHT

 

De illustratie is gemaakt door Iris Compiet

Ik heb een liedje gemaakt. Het heet MONSTERS en het is hier te beluisteren. En dit is het verhaal erachter.

Zijn kinderen nou monsters of toch niet?
Als kind kun je niet kiezen.
Je bent het eigenlijk allebei.

Kinderen zijn in staat tot monsterlijk gedrag. Daar kan ik – als iemand die jarenlang gepest werd – helaas maar al te goed over meepraten. Maar als kind deed ik zelf ook dingen die niet door de beugel konden (al besefte ik vaak pas achteraf wat voor enorme impact dat op anderen had.)

Als kind was ik vaak bang. ’s Nachts voor de monsters in de kast, overdag voor de kinderen in mijn klas. Toen mijn opa overleed was ik nachtenlang benauwd dat zijn skelet mij op kwam zoeken. Ik heb in die periode mijn overvloedige fantasie regelmatig vervloekt.

Groter worden was mijn liefste wens.
Groteren zijn niet bang voor het donker.
In het donker zijn ze vrij.

Mijn fantasie is inmiddels mijn bron van inkomsten. Ik schrijf verhalen en help anderen hun dromen te verwezenlijken. Dat betekent overigens niet dat ik geen nachtmerries meer heb, maar ook die zijn volwassen geworden: Verdien ik wel genoeg om mijn gezin te onderhouden? Overkomt mijn kinderen niets? Ben ik wel goed genoeg?

Dertig jaar later nu ik zelf de grootste ben.
Ben ik het allerbangste voor de dingen die ik ken.

Een tijdje geleden deed een cursus songwriting bij Suze van Calsteren en ontstond er een liedje over nachtmerries en monsters. Ik bedacht de tekst, (overigens zonder dat ik van te voren wist waar het over ging) en creëerde samen met Suze de zangmelodieën. Zij maakte er de muziek bij. Omdat ik het eigenlijk best mooi vond, belde ik Bart Noorman die eerder de Binoliedjes had geproduceerd in zijn studio. Hij stelde voor het liedje op te nemen met Bert van den Brink op piano. Ik nog nooit gehoord van Bert. Maar als snel bleek dat hij één van de beste pianisten is van Nederland. Hij speelde  met Toets Tielemans, Cor Bakker, Denise Jannah en zelfs Chet Baker. En hij ging mijn liedje inspelen?

De monsters in mijn hoofd werden wakker.

Ik besloot het nummer extra goed in te studeren en riep de hulp in van Caroline Lobanov. Caroline is niet alleen een fantastische zangeres, maar geeft mij en mijn medecursisten ook wekelijks les in jazz zingen. Samen oefenden we mijn nummer en zochten we naar de juiste interpretatie. Daarna mocht ik de studio in met Bert en Bart.

Bert is een prachtige man met een passie voor muziek en mensen. Hij speelde mijn nummer meesterlijk in, terwijl ik het zo goed mogelijk meezong. Daarna gingen we ermee aan de slag. We corrigeerden nootjes, want ook een pianist van zijn niveau blijkt wel eens een foutje te maken. Vervolgens mocht ik het opnieuw inzingen op de – inmiddels voorgemixte – track.

Zingen is voor mij een droom. Als kind fantaseerde ik al over het spelen in een band, het maken van een plaat en over optredens in grote zalen. Maar ja, als kind vertelde iedereen mij dat ik niet kon zingen. En als je dat maar vaak genoeg hoort, dan ga je dat vanzelf geloven.

En daar zitten dus precies mijn monsters van nu. De dingen die ik eng vind, de dingen waar ik bang voor ben, dat zijn de dingen die ik mijzelf heb wijsgemaakt tijdens mijn jeugd. Dat ik niet kan sporten, niet kan dansen, niet kan zingen. Dat vrouwen nooit van mij zullen houden, dat ik altijd de loser zal blijven uit mijn klas, dat ik ieder moment door de mand kan vallen, uitgelachen kan worden, in de steek gelaten word.

Dat ik nergens bij hoor.

Want monsters in het donker zijn er echt.
Echt wel, ook al zijn ze zo geboren, geboren in mijn hoofd.

Maar weet je? Ik kan dus wél zingen. Misschien niet altijd even zuiver en misschien moet ik nog heel veel leren en oefenen. So What? Alsof ik als schrijver ooit ‘klaar ben’, of als echtgenoot, vader of presentator. Die monsters horen gewoon bij mij. Maar in plaats van ze te bevechten kan ik over ze zingen. Hardop. Op het internet. Op het podium.

De volgende keer dat jouw monsters van zich laten horen, zing je dan met mij mee?

Monsters in het donker zijn niet echt.
Echt niet, ook al zijn ze zo geboren, geboren in mijn hoofd.

‘Monsters’ is hier streaming te beluisteren.

Wil je ook een cursus songwriting volgen bij Suze van Calsteren of haar boeken voor een optreden? Klik dan hier.

Wil je zangles hebben van Caroline, of een keer naar één van haar fantastische concerten? Klik dan hier.

Een trompettist of producent nodig? Bart Noorman is je man!

Bert van den Brink speelt wekelijks een MP3 in. Luister het hier.