SCHRIJVEN WORDT MOEILIJK NAARMATE JE BETER WORDT

 

A writer is a person for whom writing is more difficult than it is for other people,” schreef de Duitse auteur Thomas Mann. En hij had gelijk, kan ik je vertellen.

Toen ik de drie delen van De Sprookjesspeurders schreef, had ik geen idee wat ik deed. Dat maakte het schrijven op zich makkelijk. Ik haalde alles uit de kast wat ik in huis had, alles wat ik (on)bewust leerde tijdens het lezen van andermans boeken, door het kijken van films, het bestuderen van tv-series. Mijn eerste boeken noem ik wel eens mijn punkperiode: ik had nog geen idee hoe ik een instrument moest bespelen (of in mijn geval, hoe ik de techniek moest beheersen) maar mijn boeken hadden een frisheid, een ruwheid die je ook bij beginnende bandjes vindt. De zinnen waren misschien wat krom, de overgangen wat ongemakkelijk en de karakters wat plat, maar de verhalen ademden plezier uit en dat kreeg ik ook terug van de lezers.

Nu ik tien jaar schrijver ben, begin ik mijn vak een beetje onder de knie te krijgen. Ik weet steeds en wat ik moet doen om een bepaald doel te bereiken. Ik weet welke technieken ik moet gebruiken om een bepaald soort reactie bij de lezer los te maken.

Dat betekent ook dat ik steeds sneller weet wanneer iets niet werkt.

Om iets te laten lezen alsof het in één keer geschreven is, moet ik een tekst soms drie, vier keer herschrijven. Daarna gaat het naar de redacteur die er minimaal twee keer op reageert. Op dit moment stuurt mijn redacteur mij iedere dag ca veertig pagina’s van Superhelden2.nl op, vol met aantekeningen en opmerkingen. Die verwerk ik en stuur ze weer terug. Ondertussen komen de volgende 40 pagina’s binnen. Zo werken we samen naar een manuscript toe waar lezers hopelijk zeggen: ik heb het ademloos uitgelezen, zo spannend is dit.

Dat houdt onder andere in dat ik behoorlijk wat darlings moet killen. Zo schreef ik de volgende dialoog tussen Iris en haar broer Justin. Iris heeft net ingebroken in een computerruimte en wacht op aanwijzingen van haar broer die met haar praat via een chip in haar nek:

Op dat moment begon het scherm te knipperen.

‘Ik ben erin, Justin! Wat nu?’

Hij reageerde niet.

‘Justin?’

Ze hoorde een geluid als van een kabbelend beekje, gevolgd door een waterval.

‘Sta je nou te plassen?’

‘Sorry, ik moest echt heel nodig.’

‘Zet dan volgende keer even de ansibel uit, zeikerd.’

‘Sorry. Wat vroeg je?’

‘Wat ik moet doen. Neem je tijd, hoor, het is niet alsof ik hier opgesloten zit op een eiland met een megalomane maniak die ieder moment zijn Poolse bodyguard op me af kan sturen om mij in elkaar te rammen omdat ik haar pasje heb gejat.’

‘Gelukkig maar, ik dacht even dat ik mij zorgen moest maken. Oké, ik pak mijn laptop erbij. We gaan een programmaatje toevoegen aan het geheel. Doe precies wat ik zeg, één foute code en we hebben de virtuele poppen aan het dansen.’

Bij deze tekst schreef mijn redacteur: “Het is geestig, maar door deze kabbelende dialoog, ben je als lezer het gevoel van urgentie en spanning kwijt. Is zonde, want deze actie lijkt me toch zeer belangrijk.”

BAM! Spijker op de kop. Schrappen die handel. En ja, hoor, na het weghalen van de dialoog en het opschonen van de zinnen, liep het hoofdstuk als een trein in plaats van een voortkabbelende locomotief.

Schrijven is moeilijk. Schrijven is hard werken. En hoe langer je het doet en beter je wordt, hoe moeilijk het wordt. Dat had meneer Mann goed gezien.

(Misschien dat daarom ook de één na grootste ergernis van (kinder)boekenschrijvers is: “‘Ik ga op een dag ook een kinderboek schrijven, maar nu heb ik het te druk,’ als antwoord op de mededeling dat je kinderboeken schrijft.” Het is namelijk echt supersimpel, dat schrijven.)